Een kroontjespen in de klas helpt, mits goed gebruikt. ict in de klas helpt, mits goed gebruikt. Welke leermiddelen een docent toepast, hangt samen de visie van het onderwijs. En dus geldt dat de computer geen zonde moet zijn, maar ook geen zoethouder.
Een voorbeeld uit de praktijk. Een traditioneel klaslokaal in een middelgrote school. Een docent geeft wiskunde, maar aan het lokaal zelf is dat niet te zien; het lokaal wordt door meerdere docenten gebruikt. Een afgebladderde poster van Kennedy hangt naast een knip- en plakopdracht van een paar jaar geleden. De docent die de opdracht ooit gaf, is inmiddels naar een andere school gegaan. Leerlingen werken twee aan twee de opdrachten uit het lesboek af, de vrouwelijke docent kijkt proefwerken na. In het lokaal staan twee computers. Uit het niets vragen twee ietwat verveelde jongens aan de docent: ‘Mogen wij deze opdracht op de computer maken?’
De docent is niet heel erg bekend met computers. Ze checkt haar e-mail en surft af en toe naar Kennisnet voor een opdracht, die ze dan uitprint en uitdeelt in de klas. Als ze toegeeft en de leerlingen maken de opdracht daadwerkelijk (bijvoorbeeld door de antwoorden in plaats van in hun schrift in een Word document te tikken), met af en toe een msn-dialoog die tevoorschijn springt, heeft de computer in de klas geen enkele meerwaarde. Er ontbreekt een visie. Of je zou de motivatie van de leerlingen als argument kunnen gebruiken. Maar deze leerlingen zijn niet gemotiveerd om hun wiskunde te leren, maar om op de computer te werken. De computer is in dit geval geen leermiddel.
Commodore 64
‘Er zijn grote verschillen in het gebruik van ict binnen de scholen,’ vertelt
Henk Jan Winter van Kennisnet, het
publieke expertisecentrum op het gebied van ict en onderwijs. ‘Er valt nog
een grote slag te maken. We hebben het altijd over Vier in Balans, de
bouwstenen voor goed ict-onderwijs: visie, kennis, content en de
infrastructuur. Je kan wel als school roepen dat je aan ict doet door dertig
nieuwe computers aan te schaffen, maar als je ze alleen maar in een
klaslokaal neerzet, betekent dat niet automatisch ook dat het succesvol is
bij leren.’
Eind jaren tachtig begonnen de eerste scholen met de aanschaf van één computer (de Commodore 64 was handzaam en redelijk betaalbaar) die op een vaste plek in de schoolbibliotheek stond. Later werden op middelbare scholen lessen vormgegeven: het vak informatica was geboren. Niet elke leerling had thuis een computer. Anno 2008 is de situatie volledig anders – een leerling hoef je niet te vertellen waar de aan-knop zit. Was de computer in de jaren negentig nog vooral een hulpmiddel (een vervanging of verruiming van de rekenmachine, typemachine, atlas of woordenboek), met de huidige generatie hardware en software is een nieuw tijdperk ontstaan waarin nieuwe didactische vormen ruim baan kunnen krijgen. ‘Digitale prentenboeken vervangen niet de juf die iets voorleest, een kind leert er zelfs meer woorden van,’ aldus Winter.
'Digital immigrants'
De computer wordt geïmplementeerd in het onderwijs en is niet langer “zomaar”
een hulpmiddel. De jongste generatie middelbare scholieren (geboren in 1996)
kent de computer niet anders dan een bron van sociaal contact, kennis en
entertainment. Dat is wel anders dan de ‘computerbeleving’ van de docent van
wie de gemiddelde leeftijd rond de veertig ligt, die de computer ooit nog
kende als een ding met een groot scherm met groene karakters.
Marc Prensky, een Amerikaans software-ontwikkelaar voor de educatieve sector, omschrijft in het blad On the Horizon (MCB University Press, Vol. 9 No. 5, October 2001) de moderne leerling als volgt: 'Onze leerlingen van vandaag zijn digital natives, ze spreken de taal van computers, games en internet. En wij? Degenen die niet geboren zijn in de digitale wereld maar later gefascineerd zijn geraakt en veel elementen uit die wereld hebben geadopteerd, zoals surfen en internet? Wij zijn digital immigrants.’
Een bijzonder goed voorbeeld van het samenvloeien van de (computer)techniek en
de didactische component is het project Digitaal
Vertellen, een taalproject van Teleac/Not, dat in 2003 werd opgezet met
steun van het Nederlands Instituut voor Filmeducatie, de Hogeschool Utrecht,
de Educatieve Hogeschool van Amsterdam en de Waag Society.
De eindtermen van het ministerie van OCW zou je er zo naast kunnen leggen.
Kijk- en luistervaardigheden worden ontwikkeld aan de hand van clips die hun
leeftijdgenoten maken, en de leerlingen trainen hun kijken en luisteren. Zij
benoemen wat ze zien, beoordelen dat en onderbouwen hun mening. De
leerlingen schrijven een eigen, persoonlijk verhaal en maken daarvan een
scenario. Vervolgens maken ze een script en ten slotte draaien ze zelf een
film. Voor docenten is er een uitgebreide handleiding. Het project won in
2006 de Taalunie Onderwijsprijs.
Zie ook het artikel over ict is geen spelletje: voor- en tegenstanders van ict op school.
EscenicId: 731414
Academici kunnen via een nieuw opleidingsprogramma van overheid en ...
Bijzondere scholen zijn tegen het plan van de minister Van ...
Van alle 157 duizend leerlingen van groep 8 die dit jaar de Citotoets ...
Voor veel islamitisch studenten zijn de plannen om de ...
De universiteiten overleggen over mogelijke alternatieven voor de ...