
Studenten leren in het hoger onderwijs veel, maar uiteindelijk wordt alleen gekeken of ze de geleverde kennis kunnen reproduceren of toepassen. Hoe ze denken, wordt niet getoetst. Willen studenten innovatieve, creatieve denkers worden, dan moet het onderwijs veranderen. En anders gaan toetsen, zeggen Rebecca Hamer en Erik Jan van Rossum.
Het hoger onderwijs heeft als doelstelling studenten naar een hoger denkniveau te brengen, in de wandelgangen bekend als een ‘academisch werk- en denkniveau’. Alleen: die doelstelling wordt bij lange na niet gehaald. Dat blijkt uit onderzoek van Rebecca Hamer, programmaregisseur onderzoek bij het Platform Bèta Techniek, en Erik Jan van Rossum, universitair docent kwalitatieve methoden bij de Universiteit Twente.
Zij constateerden dat veel afgestudeerden van hogeschool en universiteit het beoogde denkniveau, dat in hun indeling niveau 4 heet, niet beheersen. Sterker, ‘academisch denken’ lukt slechts 20 tot 50 procent van de hooggeschoolden.
Op 26 mei promoveert het echtpaar aan de Universiteit Utrecht op hun onderzoek dat ze de afgelopen dertig jaar, naast hun werk, hebben gedaan en staat in hun boek The Meaning of Learning and Knowing (Sense Publishers).
Hoe kan het hoger onderwijs zo ernstig falen?
Hamer: ‘Dat het academisch denkniveau vaak niet wordt gehaald, komt omdat in
het onderwijs nog altijd het accent ligt op wát er wordt geleerd, en niet
hóe iets wordt geleerd. Studenten gaan naar college, luisteren naar de stof,
en sluiten een blok af met een tentamen of multiplechoice-toets. Deze vorm
van kennis toetsen, waarbij je kijkt of iemand het goede antwoord geeft of
kan navertellen wat is aangeboden, komt voort uit het idee dat je nu eenmaal
niet kunt meten hóe iemand denkt.
Buiten dat krijgen studenten les van docenten die vaak zelf evenmin het academisch denkniveau beheersen. Niet omdat ze daartoe niet in staat zijn, maar omdat ook zij voortkomen uit ditzelfde onderwijsmodel.”
Is deze Nederlandse situatie uniek?
¿Nee, onze indruk is dat dit probleem wereldwijd bestaat. Er zijn
uitzonderingen, zoals het beroemde Harvard en MIT, waar studenten iets vaker
met niveau 3 of 4 binnenkomen en met denkniveaus 5, 6 en soms zelfs 7,
volgens onze indeling, de instelling verlaten. Dat zijn de zelfstandige,
creatieve en innovatieve denkers waarop ook onze hoogwaardige kenniseconomie
zit te wachten.
Van de Amerikaanse top- instituten zijn dus wel denkniveau-metingen bekend, want men deed die al in de jaren zestig van de vorige eeuw. Dat maakt meteen duidelijk maakt dat je denkwijzen dus wel degelijk kunt meten. Maar van de Engelse top-universiteit Oxford weten we weer niets.”
Wat moet er veranderen om de bedoelde academische denkers wel te krijgen?
‘Als we nu beginnen met het veranderen van ons onderwijs, kunnen we over tien
jaar ook een Harvard of MIT hebben. Om dat te bereiken, vergt dat wel een
vakgroep, faculteit of liefst hele instelling die het onderwijs anders wil
inrichten. Als een enkeling het roer omgooit, heeft het niet zo veel zin.
Bovendien, een docent die te horen krijgt dat hij niet of onvoldoende een
academisch denkniveau uitdraagt in het onderwijs, voelt zich in eerste
instantie eerder bedreigd dan uitgedaagd. Daarom moet je met z’n allen aan
de slag gaan.
Ook studenten die gewend zijn kennis te reproduceren en meerkeuze-toetsen te beantwoorden, staan misschien niet te trappelen voor een andere aanpak. Alhoewel, onze ervaring is dat studenten het hinderlijk en stom vinden als ze in hun opleiding niet worden uigedaagd. Dat bleek ook recent uit een LAKS-onderzoek. Studenten willen iets leren, en ondanks hun gebrom, er zeker iets voor doen.’
Maar hoe pak je het praktisch aan?
¿Om te beginnen moeten we vaststellen wat studenten en docenten met de kennis
die ze al hebben kunnen, en hoe ze ermee omgaan. Dat doe je bij studenten
bij het begin en het einde van de studie, want dan kun je ook meten hoe ze
door de jaren heen zijn veranderd. Daar niet alle docenten over een
academisch denkniveau beschikken of dat inzetten in hun onderwijs, moet er
geïnvesteerd worden in het hóe van hun denken. Met de kennis zelf zit het
meestal wel goed.
Verder moet er tijdens de studie bij studenten niet getoetst worden wat ze weten, maar wat ze met hun kennis kunnen, hoe ze ermee omgaan. Daar kun je absoluut criteria voor ontwikkelen, maar je moet het wel willen. Er bestaat zelfs al een Nederlandse vragenlijst die daarvoor ingezet zou kunnen worden’
En wat hebben we straks dan?
“Dan hebben we afgestudeerden die veel meer kunnen dan het reproduceren en
toepassen van kennis, maar ook in staat zijn nieuwe kennis te ontwikkelen.
Kortom, dan hebben we innovatieve en creatieve denkers. Leren denken, anders
tegen kennis aankijken, je denken ontwikkelen, dat kun je allemaal leren.
Heel veel mensen die nu op een denkniveau van 2, 3 of 4 zitten, zijn ook in
staat tot hogere denkniveaus te komen.
We moeten beseffen dat excelleren niet alleen een kwestie is van talent en geluk, maar vooral van hard werken. Dat is onze boodschap. Na dertig jaar onderzoek hebben wij als zogenaamde buiten-promovendi, dus beiden met een baan, niet alleen een dissertatie geschreven om de wetenschap verder te brengen, we hebben een maatschappelijke boodschap en hopen dat die gehoord wordt.’
En wat moet er nog veranderen in het onderwijsdebat?
De discussie draait nu om aantallen studenten, afgestudeerden, studierendement
en studiesnelheid. Het moet gaan over hoeveel studenten zich ontwikkelen tot
innovatieve wetenschappers die zich kunnen handhaven als toponderzoekers, en
of deze toponderzoeker en topdocenten hun studenten middels onderwijs ook
weer laten groeien.’
EscenicId: 761501
Academici kunnen via een nieuw opleidingsprogramma van overheid en ...
Bijzondere scholen zijn tegen het plan van de minister Van ...
Van alle 157 duizend leerlingen van groep 8 die dit jaar de Citotoets ...
Voor veel islamitisch studenten zijn de plannen om de ...
De universiteiten overleggen over mogelijke alternatieven voor de ...