Dichters van 13: poëzieles op het VMBO

01/05/2009

Dichters van 13: poëzieles op het VMBO

Natuurlijk vinden vmbo’ers gedichten stom. Totdat ze onder begeleiding hun eigen gevoelens opschrijven.

‘For your mind, body and soul – poetry, let the words flow!!!’ De stem van rapper André Accord klinkt nog net boven de harde, opzwepende muziek uit. Lichtcirkels volgen zijn beweeglijke voeten. ‘Als je dieper gaat dan je gewend bent, laat een gedicht zien wie je echt bent’, rapt hij. Vijf minuten geleden was het nog een opgewonden geschreeuw en gestomp in de zaal. Nu zijn de tweehonderd aanwezigen in theater De Griffioen in Amstelveen doodstil.

Het zijn niet de minsten die vanmiddag optreden: naast Accord de pianist Polo de Haas, drummer Truus Engels, dichter Tjitse Hofman, percussionisten Jos de Haas, Rutger van der Slee en Séga Sibidé en de streetdancers Turn it Loose. Als die vier mannen over het podium veren, tollen en schieten, vuurballen van energie, houden twee jongens het niet meer: ‘Tering, ze zijn goed.’ Ze staan op en bewegen mee. ‘Zitten!’, sissen een paar meisjes.

School der Poëzie?

De naam is geleend van het beroemde gedicht van Lucebert, die weer verwees naar de titel van een dichtbundel van Herman Gorter. School der Poëzie wil kinderen en jongeren laten ervaren wat poëzie is. Naast het langlopende project Landkoffers organiseert zij andere projecten. Zoals VERS, waarbij de dichters die werden genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs als inspiratiebron dienden. Op de slotavond in De Rode Hoed kozen de jonge dichters Bart Meuleman (met zijn bundel Omdat ik ziek werd) als hún VSB-prijswinnaar. Ook zijn er internationale projecten, zoals Y-Poetry, samen met scholieren uit Antwerpen en Berlijn.

Maar de hoofdact van deze spectaculaire PoëzieRevue, dat zijn zij zelf. Een paar dagen geleden waren zij nog gewoon leerlingen uit de onderbouw van het vmbo, nu zijn zij dichters. Dichters van 13; beeldend kunstenaars bovendien. Hun gedichten zijn opgeborgen in een door henzelf getimmerd koffertje, dat ze hebben beschilderd of versierd, passend bij hun gedicht. Drie dagen lang werkten zij op school aan hun gedichten en koffers, in het project Landkoffers, onder leiding van docenten van de School der Poëzie.

Uit elke klas zijn vijf leerlingen gekozen die hun gedicht zullen voorlezen, onder de spotlights, begeleid door zachte muziek. Op een groot scherm worden de gezichten van de voorlezende kinderen, en hun koffers geprojecteerd. In luttele minuten trekken vele werelden voorbij: ‘Ik hoor de stemmen van duizenden dode zielen, in Rwanda’; ‘Engel en duivel, elk op een schouder’; ‘Ik mis het strand, het strand van Chicago’. En de liefde, uiteraard: ‘Wij kijken elkaar aan als twee verliefde narcissen.’

In elk groepje wint één kind een prijs. De zaal barst los in gekrijs als een jurylid de namen voorleest. Maar eigenlijk zijn alle dappere dichters die het podium betraden al winnaars natuurlijk.

Paarlen voor de zwijnen
Wie zei er dat je op het vmbo beter niet aan poëzie kunt beginnen? Dat gedichten te ver afstaan van de leefwereld van deze kinderen, dat je ze vooral niet moet lastigvallen met ‘diepzinnige’ en ‘ingewikkelde’ taal. Dat het verspilde moeite is, paarlen voor de zwijnen. De docenten van School der Poëzie horen deze vooroordelen regelmatig. En elke keer tonen ze aan hoe onterecht die verwachtingen zijn. Ze geven hun poëzieprojecten ook op havo-vwo-scholen, maar juist op het vmbo komen ze graag. Ze zien daar kinderen in een paar dagen opbloeien als ze met hun gedichten en koffers bezig zijn.

Toch lijkt de cynicus, op de eerste dag van het project voor vmbo’ers op het Montessori Lyceum Amsterdam, gelijk te krijgen. Er is veel gedraai en geroezemoes in de klas als Jacques Brooijmans, docent bij School der Poëzie, vertelt wat ze de komende dagen zullen doen. Een gedicht maken – maar niet op rijm. ‘Gedichten zijn stom’, klinkt het meteen al achteruit de klas.

Brooijmans, ook jeugdboekenschrijver, legt uit dat het gedicht kan gaan over een herinnering, aan een plaats, aan een gebeurtenis. Of over iets wat ze heel graag willen. ‘Anderen pesten’, roept een lolbroek. ‘Rijk worden’, schampert zijn buurman. Een meisje zucht: ‘Ik kan helemaal niet dichten.’ ‘Iedereen kan dichten; dat zal ik je laten zien’, belooft Brooijmans. Mo, die geen seconde stilzit, mokt: ‘Geen rijm, huh? Dan is het toch geen gedicht!’

Echt wat te zeggen
Maar poëziemeester Jacques leest onverstoorbaar een gedicht voor. Zonder rijm. Over iemand die met zijn neefjes in de woestijn loopt. Langzaam wordt het rustig in de klas. ‘Die gast is op vakantie in Marokko’, denkt Mo hardop. Mees heeft goed geluisterd: ‘Het gedicht begint alsof het nu is en dan ineens is het vroeger. Mag dat?’

Een half uur later is het nóg stiller. De kinderen schrijven aan hun gedicht. Zomaar, zonder er veel bij na te denken. Ze hebben later nog alle tijd om het te veranderen. Puck is als een van de eersten klaar. Ze geeft haar blaadje aan de docent: ‘Hier, lees maar’, zegt ze wegkijkend, ‘het slaat nergens op.’

‘Als ze dát zeggen’, zegt Jacques Brooijmans, ‘dan is het gedicht meestal goed.’ Puck heeft echt wat te zeggen. Haar gedicht heet ‘Ik’. Het gaat over wat zij heeft meegemaakt: ‘Mijn leven is vervelend/ maar het is ook wel heel mooi./ Mijn leven doet veel pijn/ van binnen en van buiten. / Soms ben ik ongelukkig/ dan denk ik aan het verleden.’

Aan het verleden? Puck denkt na: het hele verleden, dat is wel erg veel. Ze streept het verleden door en schrijft: ‘Toen ik heééééél erg ziek was.’ Later, als haar gedicht, mooi gedrukt op een doorzichtig vel, in haar beschilderde koffer ligt, staat er ‘dan denk ik aan het ziekenhuis’.

Youssef houdt zijn arm beschermend om zijn gedicht. Geen pottenkijkers graag. Maar de volgende dag geeft hij het vrij voor publiek. Het heet ‘Gevangenis’: ‘Zo verdrietig als een baby/ zo graag wil ik weg,/ het kan niet./ Waarom zit ik hier / ik heb niks gedaan. / Zo lang heb ik de zon niet gezien.’ Youssefs koffer is een hermetische cel, met zware tralies.

Soaps
Jongens, is Brooijmans’ ervaring, maken vaak verrassender gedichten dan meisjes. ‘Ze kennen de clichés minder goed. Ze kijken geen soaps.’ Niks maneschijn, ruisende zee en bonzende harten. Ze schrijven gewoon, zoals Vigo: ‘Ik drop een taggie’, of, zoals Boris: ‘God stuurde me naar de hel/ met een uppercut.’

Brooijmans maakt vaak mee dat kinderen die nooit poëzie lezen, er toch aanleg voor hebben. ‘Sommigen begrijpen meteen wat een metafoor is, een personificatie of allitteratie. Ze geven zelf voorbeelden: een grasspriet die denkt, praten als een kraai, duistere droom¿ Ik noem ook die termen.

‘Soms kijkt de docent dan bedenkelijk: is dit niet te moeilijk? Maar je moet kinderen niet onderschatten. Ze vinden het mooi om dichterlijke termen te kennen. Met een beetje hulp stijgen ze in hun gedicht boven zichzelf uit. Ieder kind heeft een droom, een wens, een geheim. En bijna allemaal willen ze die uiten.’

Het is verrassend hoe de docenten de kinderen in een paar stappen tot een oorspronkelijk gedicht brengen, zonder het voor te kauwen. Ilonka Verdurmen, artistiek leider van School der Poëzie en docent, weet dat het bijna altijd lukt om elk kind zover te krijgen.

Emotioneel
‘Juist kinderen die lastig worden gevonden’, zegt ze, ‘maken de beste gedichten. Die hebben vaak een heel eigen gedachtewereld, origineler dan anderen. Soms worden ze emotioneel van de beelden die ze oproepen. Als ze ten slotte op het podium staan, in hun eentje, zijn zelfs de grootste schreeuwers enorm trots. Vaak bewaren ze hun koffer nog jaren.’

De taak van de docent is vooral de dichters op gang te brengen, en ze valkuilen te laten vermijden. Ilonka Verdurmen somt een rijtje ‘verboden’ woorden op: leuk, prachtig, bijzonder; ik zie, ik hoor, ik voel, ik herinner me – die woorden liever niet. ‘Maar mijn gedicht gaat over een herinnering’, roepen enkele kinderen. ‘Ja, maar in het gedicht doe je alsof het nú gebeurt’, zegt de docent.

‘Als je wilt zeggen dat iemand er eng uitziet, beschrijf je wát hem zo eng maakt. En als het gaat over bang zijn: waar voel je dat? De kinderen vinden het maar rare regels. Het zijn precies de woorden die ze wilden gebruiken. Maar het werkt wel. Dan staat er ineens op een leeg blaadje: ‘Ik val in het gat van de stilte.’

Puck schreef nog een tweede gedicht, ‘Paarden’: ‘Ze springen door/ het rode, ruwe vuur. (¿) Het doet pijn/ ze hebben verdriet.’ Misschien is dit gedicht nóg beter? Omdat het niet over haarzelf gaat, en toch een beetje wel? Nee, schudt vriendin Eva. ‘Pucks eerste gedicht is zó mooi. Ik kreeg er kippenvel van.’

Raps
Zelf maakte Eva een gedicht over een droom. Zwarte schimmen drijven in haar koffer door een donkerblauwe hemel; de randen zijn met watten bekleed. ‘Daaraan kun je zien dat het een droom is’, legt ze uit.

Ook Mo is eruit: hij zal het hebben over die ene warme nacht, in de tropen. ‘Ik wandel met mijn ouders/ Ik wandel in de jungle/ ik slaap op de grond’, zingzangt hij deinend. Rappen, dat doet hij namelijk elke dag. Nu hij eenmaal het ritme gevonden heeft, komen de woorden vanzelf. Geen kunst aan. Gedichten zijn gewoon net raps, maar dan zonder rijm.

EscenicId: 742143


Geef je reactie

Je kan een reactie ingeven op een artikel via jouw LinkedIn account.
We vragen je bij een reactie je voornaam, achternaam en functietitel - die tevens automatisch ingeladen zijn vanuit jouw LinkedIn profiel - in te vullen.

Via onderstaande link kan je inloggen met je LinkedIn account.
Aanmelden met je LinkedIn Account

Gerelateerde artikelen

Zoek artikel

Onderwijs Column , Didactiek en onderwijsvernieuw , Voor de klas , Nieuws Onderwijs , Carrièretips Onderwijs , Hoe zit dat?
Services VKbanen Deelsites VKbanen Andere sites van De Persgroep Nederland
© 2012 De Persgroep Nederland. Alle rechten voorbehouden. Lees de gebruiksvoorwaarden.
  • ACAP